Study

Invorm 1-6 oefenen

  •   0%
  •  0     0     0

  • Ik hoor ..... (zij)
    ze / hen
  • Ik kijk naar jou en Erik. Ik kijk naar .....
    jullie
  • de, het, een of niets: Hebben jullie nog.... vragen?
    niets
  • de of het: ..... museum
    het
  • de of het: ...... zuiden
    het
  • Karim is een goede vriend. Ik vertel ..... alles.
    hem
  • Zij werkt als ...... dokter in het ziekenhuis.
    niets
  • ..... je moe? (zijn)
    Ben
  • Ik ..... koffie. (zetten)
    zet
  • de, het of een: Mijn dochter heeft .... kat gekregen.
    een
  • de of het: .... radio
    de
  • Dat is ... hond van de buren.
    de
  • Hij ..... een nieuwe fiets. (hebben)
    heeft
  • Wil je nog ..... kopje thee?
    een
  • .... computer is kapot.
    De
  • Nathalie komt naar Nederland. Ik zie .... vrijdag.
    haar
  • de, het of een: Ik wil graag ..... kopje koffie.
    een
  • Heb je ..... nieuwe trui? Hij is heel leuk!
    een
  • Karen en Bart komen met de trein. Ik haal ..... op.
    ze / hen
  • de of het: ..... begin
    het
  • We gaan aan ..... tafel.
    niets
  • ...... je morgen? (vertrekken)
    Vertrek
  • Hij mailt ..... (wij)
    ons
  • Zij heeft altijd ... geluk!
    niets
  • de of het: ... paprika
    de
  • de of het: ...... dokter
    de
  • de of het: ..... Maas
    de
  • de of het: ..... kapsel
    het
  • We moeten ...... nieuwe auto kopen.
    een
  • Wil je nog ...... boterham?
    een
  • Hij ...... graag. (voetballen)
    voetbalt
  • een of niets: Wil je nog ..... thee?
    niets
  • Ik .... graag appeltaart. (maken)
    maak
  • de of het: ... scheerapparaat
    het