Study

Leesvaardigheid havo en vwo 3

  •   0%
  •  0     0     0

  • Doel en middel; signaalwoorden: daarmee, door middel van, met als doel...
    Middel-doelverband
  • Alinea
    Tekstdeel met samenhang; bevat kernzin + uitwerking.
  • Hoofdgedachte
    Belangrijkste mededeling over het onderwerp; noteer als volledige zin.
  • Oorzaak-gevolg; signaalwoorden: doordat, daardoor, waardoor, met als gevolg.
    Oorzakelijk verband
  • Belangrijkste mededeling over het onderwerp; noteer als volledige zin.
    Hoofdgedachte
  • Toelichtend verband
    Uitleg met voorbeeld; signaalwoorden: zo, bijvoorbeeld, met andere woorden.
  • Tekstdeel met samenhang; bevat kernzin + uitwerking.
    Alinea
  • Onderwerp introduceren
    Vragen stellen; standpunt/stelling; probleemstelling.
  • Hoe de tekst eruitziet: nieuwsbericht, column, advertentie, enz.
    Tekstvorm
  • Er worden zaken genoemd; signaalwoorden: ten eerste, ook, bovendien, vervolgens...
    Opsommend verband
  • Anekdote, aanleiding, actualiteit, belang voor lezer, geschiedenis.
    Aandacht trekken inleiding
  • Verzamelnaam voor teksten met hetzelfde doel.
    Tekstsoort
  • Concluderend verband
    Conclusie uit info; signaalwoorden: dus, kortom, concluderend.
  • Gebaseerd op meningen.
    Subjectief
  • Informeren: op de hoogte brengen. Uiteenzetten: uitleggen of verklaren.
    Informeren/Uiteenzetten
  • Overtuigen
    De schrijver wil dat de lezer hetzelfde vindt als hij/zij.
  • Tegenargument
    Argument tegen een ander argument.
  • Vragen stellen; standpunt/stelling; probleemstelling.
    Onderwerp introduceren
  • Verschil wordt benoemd; signaalwoorden: maar, echter, toch, daarentegen...
    Tegenstellend verband
  • Overeenkomst of verschil; signaalwoorden: evenals, net zoals, ook.
    Vergelijkend verband
  • Oriënterend lezen
    Doel: onderwerp bepalen; bepalen of tekst bruikbaar is. Hoe: titel, eerste/laatste alinea, tussenkopjes, auteur, bron, opmaak.
  • Waar de tekst over gaat; noteer als woord of woordgroep.
    Onderwerp
  • Herhaling eerdergenoemde zaken; signaalwoorden: al met al, samenvattend.
    Samenvattend verband
  • Onderwerp
    Waar de tekst over gaat; noteer als woord of woordgroep.
  • Opsommend verband
    Er worden zaken genoemd; signaalwoorden: ten eerste, ook, bovendien, vervolgens...
  • Argument tegen een ander argument.
    Tegenargument
  • Middel-doelverband
    Doel en middel; signaalwoorden: daarmee, door middel van, met als doel...
  • Samenvattend verband
    Herhaling eerdergenoemde zaken; signaalwoorden: al met al, samenvattend.
  • Belangrijkste zin van een alinea.
    Kernzin
  • Tekstvorm
    Hoe de tekst eruitziet: nieuwsbericht, column, advertentie, enz.
  • Oorzakelijk verband
    Oorzaak-gevolg; signaalwoorden: doordat, daardoor, waardoor, met als gevolg.
  • Belangrijk tekstgedeelte voor een samenvatting.
    Hoofdzaak
  • Uitleg met voorbeeld; signaalwoorden: zo, bijvoorbeeld, met andere woorden.
    Toelichtend verband
  • Kernzin
    Belangrijkste zin van een alinea.
  • Tegenstellend verband
    Verschil wordt benoemd; signaalwoorden: maar, echter, toch, daarentegen...
  • Betoog
    Tekst met standpunt + argumenten om te overtuigen.
  • Studerend lezen
    Doel: inhoud onthouden. Hoe: samenvatting of schema maken, overhoorvragen maken.
  • Inleiding
    Begin van de tekst; kan meerdere alinea's hebben; aandacht trekken + onderwerp introduceren.
  • Opiniëren
    Het uiten van een mening.
  • Wat iemand ergens van vindt; mening over onderwerp.
    Standpunt
  • Redengevend verband
    Reden waarom iemand iets vindt/doet; signaalwoorden: want, omdat, immers.
  • Tekst met feiten; doel: informeren of uitleggen.
    Uiteenzetting
  • Uiteenzetting
    Tekst met feiten; doel: informeren of uitleggen.
  • Standpunt
    Wat iemand ergens van vindt; mening over onderwerp.
  • Beschouwing
    Tekst waarin een schrijver je de verschillende kanten van een onderwerp laat zien met als doel dat de lezer er zelf over kan nadenken en een mening kan vormen.
  • Tekst met standpunt + argumenten om te overtuigen.
    Betoog
  • Onderbouwing van een standpunt; feitelijk of waarderend.
    Argument
  • Voorwaardelijk verband
    Voorwaarde; signaalwoorden: mits, als, indien, tenzij.
  • Aandacht trekken inleiding
    Anekdote, aanleiding, actualiteit, belang voor lezer, geschiedenis.
  • Conclusie, samenvatting, aanbeveling, advies, toekomstverwachting, uitsmijter.
    Slot schrijven
  • Subjectief
    Gebaseerd op meningen.
  • Slot
    Afsluiting; bevat samenvatting, conclusie, advies, toekomstverwachting of uitsmijter.
  • Doel: tekst volledig begrijpen en hoofdzaken vinden. Hoe: hele tekst lezen, moeilijke woorden opzoeken, signaalwoorden, verbanden, kernzinnen, hoofdgedachte.
    Intensief lezen
  • Intensief lezen
    Doel: tekst volledig begrijpen en hoofdzaken vinden. Hoe: hele tekst lezen, moeilijke woorden opzoeken, signaalwoorden, verbanden, kernzinnen, hoofdgedachte.
  • Wat je vindt.
    Mening
  • Feit
    Iets wat waar is en controleerbaar.
  • De schrijver wil dat de lezer hetzelfde vindt als hij/zij.
    Overtuigen
  • Begin van de tekst; kan meerdere alinea's hebben; aandacht trekken + onderwerp introduceren.
    Inleiding
  • Slot schrijven
    Conclusie, samenvatting, aanbeveling, advies, toekomstverwachting, uitsmijter.
  • Wat een schrijver wil bereiken met een tekst.
    Tekstdoel
  • Tekstdoel
    Wat een schrijver wil bereiken met een tekst.
  • Vergelijkend verband
    Overeenkomst of verschil; signaalwoorden: evenals, net zoals, ook.
  • Minder belangrijk: voorbeelden, details, uitwerkingen.
    Bijzaak
  • Reden waarom iemand iets vindt/doet; signaalwoorden: want, omdat, immers.
    Redengevend verband
  • Informeren/Uiteenzetten
    Informeren: op de hoogte brengen. Uiteenzetten: uitleggen of verklaren.
  • Voorwaarde; signaalwoorden: mits, als, indien, tenzij.
    Voorwaardelijk verband
  • Objectief
    Gebaseerd op feiten.
  • Hoofdzaak
    Belangrijk tekstgedeelte voor een samenvatting.
  • Gebaseerd op feiten.
    Objectief
  • Bijzaak
    Minder belangrijk: voorbeelden, details, uitwerkingen.
  • Iets wat waar is en controleerbaar.
    Feit
  • Mening
    Wat je vindt.
  • Conclusie uit info; signaalwoorden: dus, kortom, concluderend.
    Concluderend verband
  • Tekstsoort
    Verzamelnaam voor teksten met hetzelfde doel.
  • Argument
    Onderbouwing van een standpunt; feitelijk of waarderend.
  • Middenstuk
    Kern van de tekst; vaak opsommingen, argumenten of uitleg.
  • Kern van de tekst; vaak opsommingen, argumenten of uitleg.
    Middenstuk
  • Doel: onderwerp bepalen; bepalen of tekst bruikbaar is. Hoe: titel, eerste/laatste alinea, tussenkopjes, auteur, bron, opmaak.
    Oriënterend lezen
  • Doel: inhoud onthouden. Hoe: samenvatting of schema maken, overhoorvragen maken.
    Studerend lezen
  • Afsluiting; bevat samenvatting, conclusie, advies, toekomstverwachting of uitsmijter.
    Slot