Study

Het werkwoord hebben

  •   0%
  •  0     0     0

  • jullie
    hebben
  • het
    heeft
  • zij (enk.)
    heeft
  • wij
    hebben
  • u
    hebt/heeft
  • hij
    heeft
  • zij (mv.)
    hebben
  • Jij
    hebt
  • Ik
    heb