Study

Werkwoordspelling

  •   0%
  •  0     0     0

  • tegenwoordige tijd: jij ... (antwoorden)
    antwoordt
  • verleden tijd: hij ... (geven)
    gaf
  • verleden tijd: hij ... (antwoorden)
    antwoordde
  • verleden tijd: jij ... (vluchten)
    vluchtte
  • verleden tijd: wij ... (glijden)
    gleden
  • verleden tijd: jullie ... (testen)
    testten
  • verleden tijd: de hond ... (blaffen)
    blafte
  • tegenwoordige tijd: jij ... (verdwalen)
    verdwaalt
  • verleden tijd: ik ... (slapen)
    sliep
  • tegenwoordige tijd: Ik ... (helpen)
    help
  • verleden tijd: jullie .. (bloeden)
    bloedden
  • tegenwoordige tijd: jij ... (verzenden)
    verzendt
  • verleden tijd: jullie ... (regelen)
    regelden
  • tegenwoordige tijd: jij ... (smelten)
    smelt
  • tegenwoordige tijd: ik ... (slapen)
  • tegenwoordige tijd: jij ... (glijden)
    glijdt
  • verleden tijd: jullie ... (juichen)
    juichten
  • tegenwoordige tijd: ik ... (omhelzen)
    omhels
  • tegenwoordige tijd: hij ... (vermijden)
    vermijdt
  • verleden tijd: jullie ... (smelten)
    smolten
  • tegenwoordige tijd: het meisje ... (gaan)
    gaat
  • tegenwoordige tijd: ik ... (graven)
    graaf
  • verleden tijd: jij ... (breien)
    breide
  • verleden tijd: wij ... (vermijden)
    vermeden
  • verleden tijd: ik ... (scheuren)
    scheurde