Study

VTT sterke werkwoorden groep 1

  •   0%
  •  0     0     0

  • jij (braden)
    jij hebt gebraden
  • jullie (hangen)
    jullie hebben gehangen
  • zij (mv, laden)
    zij hebben geladen
  • hij (dragen)
    hij heeft gedragen
  • jullie (varen)
    jullie hebben gevaren
  • jij (lachen)
    jij hebt gelachen
  • wij (slapen)
    wij hebben geslapen
  • Ik (blazen)
    ik heb geblazen
  • wij (houden)
    wij hebben gehouden
  • zij (geven)
    zij heeft gegeven
  • zij (roepen)
    zij heeft geroepen
  • hij (raden)
    hij heeft geraden
  • ik (lopen)
    ik heb gelopen