Study

het onderwerp en de persoonsvorm

  •   0%
  •  0     0     0

  • Wij gaan naar school.
    onderwerp: wij            persoonsvorm: gaan
  • Hij komt met de fiets naar school.
    onderwerp: hij     persoonsvorm: komt
  • Yusuf is moe.
    onderwerp: Yusuf persoonsvorm: is
  • De piano staat in de klas.
    onderwerp: de piano persoonsvorm: staat
  • Emma leest een boek.
    onderwerp: Emma persoonsvorm: leest
  • De bloem groeit in de tuin.
    onderwerp: de bloem persoonsvorm: groeit
  • Yusuf eet een appel.
    onderwerp: Yusuf persoonsvorm: eet
  • De auto is nieuw.
    onderwerp: de auto   persoonsvorm: is
  • De leraar zit in de klas.
    onderwerp: de leraar persoonsvorm: zit
  • Ik heb honger.
    onderwerp: ik          persoonsvorm: heb
  • Karim danst op het feest.
    onderwerp: Karim persoonsvorm: danst
  • Aïsha loopt op het plein.
    onderwerp: Aïsha persoonsvorm: loopt
  • Ik maak een taart.
    onderwerp: Ik           persoonsvorm: maak
  • De kinderen spelen in de tuin.
    onderwerp: de kinderen persoonsvorm: spelen
  • Laure drinkt thee.
    onderwerp: Laure persoonsvorm: drinkt
  • Zij opent de deur.
    onderwerp: zij      persoonsvorm: opent
  • De kat ligt op de vloer.
    onderwerp: de kat  persoonsvorm: ligt