Study

werkwoorden met vaste voorzetsels

  •   0%
  •  0     0     0

  • Zij heeft veel interesse ___ kunst.
    in
  • Mijn oma houd heel veel _____ bloemen.
    van
  • Hij klaagt altijd _____ het weer.
    over
  • Ik wacht al een uur ____ de bus.
    op
  • Bedankt ____ je hulp.
    voor
  • Kun jij vanavond ____ het eten zorgen?
    voor
  • Mijn ouders maken zich zorgen ____ mijn gezondheid.
    over
  • Hoe ga jij _____ stress om?
    met
  • Het duurde even voordat ik gewend was ____ het nieuwe huis.
    aan
  • Wij genieten altijd ____ de zomervakantie
    van
  • Ik spaar _____ een nieuwe fiets.
    voor
  • Wat wilde je _____ mij zeggen?
    tegen
  • Kijk je vaak _____ de televisie?
    naar
  • We gaan morgen _____ de stad.
    naar
  • Hij geeft altijd veel aandacht _____ zijn werk
    aan
  • Ik ben heel benieuwd ___ je nieuwe huis.
    naar
  • Heb jij ook zin ____ een ijsje?
    in
  • Ik luister elke dag ____ de radio.
    naar
  • Druk op de knop _____ het apparaat aan te zetten.
    om
  • Na de pauze gingen we verder ____ de les.
    met