Study

moeten, willen, kunnen, mogen

  •   0%
  •  0     0     0

  • ................................ jullie dansen? (capacité)
    Kunnen
  • Hij .................. elke zaterdag naar de training gaan. (obligation)
    moet
  • Ik ..................................... een ijsje eten! (volonté)
    wil
  • ......................... je met mij naar de bowling? (volonté)
    Wil
  • We ......................... onze gsm in de klas op stil zetten (obligation)
    moeten
  • Je ................................... elke avond je boekentas controleren. (obligation)
    moet
  • We .......................... geen vrienden uitnodigen (permission)
    mogen
  • Mijn zus ............... onze oma gaan bezoeken. (volonté)
    wil
  • We ..................................... samen gaan zwemmen! (possibilité)
    kunnen
  • Mijn vader ....................... heel goed knutselen (capacité)
    kan
  • Ik ............................... naar de tandarts. (obligation)
    moet
  • ................... jij een foto van mij nemen? (possibilité)
    Kan
  • We ................... altijd een masker dragen (obligation)
    moet
  • De kinderen .................................. niet tijdens de week opblijven! (permission)
    mogen
  • We ............................ niet meer naar het pretpark gaan. (permission)
    mogen
  • Mijn vader ................... niet koken. (capacité)
    kan
  • Sofia ............................... niet naar de stad! (permission)
    mag
  • Ze ............................ heel goed skien! (capacité)
    kan ou kunnen
  • We ............................ niet thuisblijven! (volonté)
    willen
  • Hij ............................ niet zo goed gitaar spelen... (capacité)
    kan
  • Ik ....................... niet dansen; (volonté)
    wil
  • Mijn beste vriend ....................... haar verjaardag vieren. (volonté)
    wil