Game Preview

moeten, willen, kunnen, mogen

  •  Dutch    22     Public
    choisis l'auxiliaire qui convient
  •   Study   Slideshow
  • De kinderen .................................. niet tijdens de week opblijven! (permission)
    mogen
  •  15
  • Je ................................... elke avond je boekentas controleren. (obligation)
    moet
  •  20
  • Ik ..................................... een ijsje eten! (volonté)
    wil
  •  20
  • Ze ............................ heel goed skien! (capacité)
    kan ou kunnen
  •  15
  • ......................... je met mij naar de bowling? (volonté)
    Wil
  •  10
  • Hij ............................ niet zo goed gitaar spelen... (capacité)
    kan
  •  15
  • We ..................................... samen gaan zwemmen! (possibilité)
    kunnen
  •  10
  • Sofia ............................... niet naar de stad! (permission)
    mag
  •  20
  • We ............................ niet thuisblijven! (volonté)
    willen
  •  20
  • Hij .................. elke zaterdag naar de training gaan. (obligation)
    moet
  •  15
  • ................................ jullie dansen? (capacité)
    Kunnen
  •  20
  • Ik ....................... niet dansen; (volonté)
    wil
  •  20
  • Ik ............................... naar de tandarts. (obligation)
    moet
  •  10
  • Mijn vader ................... niet koken. (capacité)
    kan
  •  15
  • Mijn zus ............... onze oma gaan bezoeken. (volonté)
    wil
  •  15
  • We ......................... onze gsm in de klas op stil zetten (obligation)
    moeten
  •  20