Study

persoonlijk voornaamwoord als lijdend voorwerp

  •   0%
  •  0     0     0

  • Mijn ouders zijn op vakantie. Ik bel ..... elke dag.
    ze / hen
  • Mijn moeder is ziek. Ik breng ..... een kop thee.
    haar
  • Abdel is jarig. We geven ....... een cadeau.
    hem
  • Wij gaan verhuizen. Wil je .... helpen?
    ons
  • Ik loop op straat. Youri ziet ...... niet.
    mij
  • Jullie zijn niet thuis. Ik zoek ......
    jullie
  • Mijn oom is oud. Ik haal boodschappen voor .....
    hem
  • Hij wacht op jou en mij. Hij wacht op ....
    ons
  • Ik snap het niet. Kun je ..... helpen?
    me
  • Karen en Bart komen met de trein. Ik haal ..... op.
    ze / hen
  • Ik kijk naar jou en Erik. Ik kijk naar .....
    jullie
  • Bart vertelt een verhaal. Ik luister naar ......
    hem
  • Karim is een goede vriend. Ik vertel ..... alles.
    hem
  • Ik heb brood nodig. Kun je brood voor ..... kopen?
    mij
  • Tanja is mijn zus. Ik houd van .....
    haar
  • Jullie praten te veel. Wij horen .......
    jullie
  • Nathalie komt naar Nederland. Ik zie .... vrijdag.
    haar