Study

Werkwoorden van de week, week 1-3

  •   0%
  •  0     0     0

  • Hij ... zijn toets aan de leerkracht. (geven)
    geeft
  • Hilde ... zingen. Ze heeft keelpijn. (stoppen met)
    stopt met
  • Jij ... jouw agenda uit jouw boekentas. (nemen)
    neemt
  • Zij ... sporten, want ze wil gezond oud worden. (starten met, enk.)
    start met
  • Isabelle ... de winkel om druiven te kopen. (gaan naar)
    gaat naar
  • Jullie ... school om Nederlands te leren. (komen naar)
    komen naar
  • Hij ... dat cola zijn lievelingsdrankje is. (weten)
    weet
  • Hij ... een afspraak bij de tandarts. (gaan naar)
    gaat naar
  • Zij ... dat we veel vlinders zullen zien in de tuin. (denken, enk.)
    denkt
  • Ik ... dat Nederlands een moeilijke taal is om te leren. (weten)
    weet
  • Jij ... het opruimen van de klas wanneer de bel gaat. (starten met)
    start met
  • Ik ... frisdrank drinken: het is ongezond! (stoppen met)
    stop met
  • Wij ... dat OKAN 1 een hele slimme klas is! (weten)
    weten
  • Kris ... koken: hij eet deze avond frietjes! (starten met)
    start met
  • Zij ... eten wanneer iedereen aan tafel zit. (starten met, mv.)
    starten met
  • Jullie ... de studie wanneer er een leerkracht afwezig is. (gaan naar)
    gaan naar
  • Jij ... graag minstens 10 boeken lezen dit jaar. (willen)
    wilt
  • Sofia ... aan het lekkere eten van deze avond. (denken)
    denkt
  • Jochen ... onze voetbalploeg om ook mee te voetballen. (komen naar)
    komt naar
  • Jij ... een koekje aan jouw vriend. (geven)
    geeft
  • Jij ... fietsen wanneer je een rood verkeerslicht ziet. (stoppen met)
    stopt met
  • Ibrahim ... nog niet naar huis gaan. (willen)
    wil
  • Ik ... huis wanneer school klaar is. (gaan naar)
    ga naar
  • Ik ... dat iedereen 10/10 zal hebben op de toets van de werkwoorden! (denken)
    denk
  • Jacqueline ... de bus naar school. (nemen)
    neemt
  • Mo ... een nieuwe pen aan zijn broertje. (geven)
    geeft
  • Wij ... bloemen aan onze nicht voor haar verjaardag. (geven)
    geven
  • Hij ... zijn groenten niet opeten. (willen)
    wil
  • Ik ... elke dag boterhammen mee naar school. (nemen)
    neem
  • Wij ... dat het morgen zonnig is. (willen)
    willen
  • Bart ... dat zijn gedrag niet goed is. (weten)
    weet
  • Ik ... jouw huis om televisie te kijken. (komen naar)
    kom naar
  • Jullie ... praten wanneer de leerkracht iets wil zeggen. (stoppen met)
    stoppen met
  • Zij ... de grootste bal uit de winkel, om die te kopen. (nemen, mv.)
    nemen
  • Jullie ... aan een mooie zomer vol ijsjes, buiten spelen en vrije tijd. (denken)
    denken
  • Zij ... school met een lach op haar gezicht. (komen naar, enk.)
    komt naar