Study

woordvolgorde A1 Nt2

  •   0%
  •  0     0     0

  • Om 8 uur 's morgens sta ik/ik sta op.
    sta ik
  • Welke bus neem jij / jij neemt / neemt jij naar school?
    neem jij
  • goed kan fietsen Ik.
    Ik kan goed fietsen.
  • ons Nederlandse les? Wie geeft
    Wie geeft ons Nederlandse les?
  • u ik Mag vragen? iets
    Mag ik u iets vragen?
  • jarig? Wanneer jij ben
    Wanneer ben jij jarig?
  • mei is op Onze geboren. 1 zoon
    Op 1 mei is onze zoon geboren.
  • wil haar cadeau kopen. een voor Saskia man
    Saskia wil een cadeau voor haar man kopen.
  • naar mijn verjaardagsfeest? Komen jullie
    Komen jullie naar mijn verjaardagsfeest?
  • 's Middags ga ik/ik ga naar de sportschool.
    ga ik
  • al Kun beetje spreken? Nederlands een jij
    Kun jij al een beetje Nederlands spreken?
  • In de avond ik kijk / kijk ik graag een film.
    kijk ik
  • in de zomer we gaan/gaan we op vakantie.
    gaan we
  • Wil je/ Je wilt het raam opendoen?
    Wil je