Study

bijvoeglijk naamwoord klare taal

  •   0%
  •  0     0     0

  • de ............................. fiets (mooi)
    de mooie fiets
  • het ....... dier (gevaarlijk)
    het gevaarlijke dier
  • een ......... leerling (aardig)
    een aardige leerling
  • een ......... dier (zwaar)
    een zwaar dier
  • een ...... jongen (jong)
    een jonge jongen
  • de .......... man (oud)
  • een ................ meisje (klein)
    het kleine meisje
  • de ........ straat (drukke)
    de drukke straat
  • een ....... kind (aardig)
    een aardig kind
  • het ....... raam (vies)
    het vieze raam
  • een ...............huis (mooi)
  • het ........ jurkje (wit)
    het witte jurkje
  • het ........... brood (lekker)
    het lekkere brood
  • de ..... vrouw (boos)
    de boze vrouw
  • een ........ jurkje (wit)
    een wit jurkje
  • een .......... brood (lekker)
    een lekker brood
  • de ......... auto (duur)
    de dure auto
  • een ......... dag (leuk)
    een leuke dag