Study

Vakantie

  •   0%
  •  0     0     0

  • J’ai travaillé 2 semaines dans un supermarché
    Ik heb 2 weken in een supermarkt gewerkt.
  • Zwemmen
    Nager
  • Zeilen
    Faire de la voile
  • Se promener sur la digue
    Op de dijk wandelen
  • Hoe was je vakantie ?
    Comment étaient tes vacances ?
  • Hoe was het weer in juli ?
    Comment était le temps en juillet ?
  • Slecht
    Mauvais
  • Ik had hoofdpijn.
    J’avais mal à la tête
  • Il fait nuageux
    Het is bewolkt
  • Ik heb 2 weken in een supermarkt gewerkt.
    J’ai travaillé 2 semaines dans un supermarché
  • Nous sommes de temps en temps sortis avec des amis
    We zijn af en toe met vrienden uitgegaan
  • Bricoler
    Knutselen
  • La 1ère semaine, j’ai fait de la voile
    De eerste week heb ik gezeild.
  • Les vacances sont finies
    De vakantie is voorbij.
  • Comment était le temps en juillet ?
    Hoe was het weer in juli ?
  • Voyager
    Reizen
  • Surfen
    Surfer
  • Surfer
    Surfen
  • Fietsen
    Rouler à vélo
  • Ik ben in augustus met mijn familie naar Oostende gegaan.
    Je suis allé à Ostende en août avec ma famille
  • Niet zo goed !
    Pas si bonnes
  • Mooi
    Beau
  • Il a plu tous les jours
    Het heeft elke dag geregend.
  • Het is bewolkt
    Il fait nuageux
  • Qu’avez-vous fait ?
    Wat hebben jullie gedaan ?
  • Met vrienden uitgaan
    Sortir avec des amis
  • Se promener sur la plage
    Op het strand wandelen
  • Op het strand wandelen
    Se promener sur la plage
  • Pas si bonnes
    Niet zo goed !
  • Nager
    Zwemmen
  • Sec
    Droog
  • Warm
    Chaud
  • Wat hebben jullie gedaan ?
    Qu’avez-vous fait ?
  • Het was zonnig
    Il faisant ensoleillé
  • Froid
    Koud
  • Faire de la voile
    Zeilen
  • Jouer au tennis
    Tennissen
  • Droog
    Sec
  • Heel goed !
    Très bonnes
  • Koud
    Froid
  • J’avais mal à la tête
    Ik had hoofdpijn.
  • Sortir avec des amis
    Met vrienden uitgaan
  • Ik ben naar Spanje gegaan om mijn grootouders te bezoeken.
    Je suis allé en Espagne pour rendre visite à mes grands-parents
  • Reizen
    Voyager
  • Comment est le temps aujourd’hui ?
    Hoe is het weer vandaag ?
  • Je suis allé en Espagne pour rendre visite à mes grands-parents
    Ik ben naar Spanje gegaan om mijn grootouders te bezoeken.
  • Nous avons surtout joué à des jeux vidéo
    We hebben vooral videospelletjes gespeeld.
  • Studeren
    Etudier
  • Mauvais
    Slecht
  • Ik had koorts
    J’avais de la fièvre
  • Tennissen
    Jouer au tennis
  • Etudier
    Studeren
  • Regenachtig
    Pluvieux
  • Knutselen
    Bricoler
  • Op de dijk wandelen
    Se promener sur la digue
  • Chaud
    Warm
  • Je suis allé à Ostende en août avec ma famille
    Ik ben in augustus met mijn familie naar Oostende gegaan.
  • Pluvieux
    Regenachtig
  • Gezelschapspellen spelen
    Jouer à des jeux de société
  • Jouer à des jeux de société
    Gezelschapspellen spelen
  • We hebben vooral videospelletjes gespeeld.
    Nous avons surtout joué à des jeux vidéo
  • De eerste week heb ik gezeild.
    La 1ère semaine, j’ai fait de la voile
  • Het heeft elke dag geregend.
    Il a plu tous les jours
  • We zijn af en toe met vrienden uitgegaan
    Nous sommes de temps en temps sortis avec des amis
  • Très bonnes
    Heel goed !
  • In een supermarkt werken
    Travailler dans un supermarché
  • La 2ème semaine, j’ai été malade
    De tweede week ben ik ziek geweest.
  • Travailler dans un supermarché
    In een supermarkt werken
  • Rouler à vélo
    Fietsen
  • J’avais de la fièvre
    Ik had koorts
  • De tweede week ben ik ziek geweest.
    La 2ème semaine, j’ai été malade
  • Comment étaient tes vacances ?
    Hoe was je vakantie ?
  • Hoe is het weer vandaag ?
    Comment est le temps aujourd’hui ?
  • Il faisant ensoleillé
    Het was zonnig
  • Beau
    Mooi
  • De vakantie is voorbij.
    Les vacances sont finies