Study

Woordenschat wees een heer in het verkeer

  •   0%
  •  0     0     0

  • Die auto staat op de............................want de auto is kapot.
    pechstrook
  • Je moet je .......................dragen als je rijdt.
    gordel
  • Daar gebeurde het ongeval. De politie komt .....................................
    ter plaatse
  • Er was een ...........................De fietser ligt op de grond naast de auto.
    aanrijding
  • De bus stopte niet, ze .......................me gewoon .......................!
    reed voorbij
  • O nee iemand rijdt in de verkeerde richting, een ...............................!
    spookrijder
  • Hij moet ...............................(activiteit) want anders botst hij tegen de boom.
    uitwijken
  • Ai, de auto ......................op het gladde ijs.
    slipt
  • Hij heeft een ................................. op want hij is duidelijk dronken.
    glaasje te veel
  • Je moet .........................doen bij de politie voor je gestolen telefoon.
    aangifte