Study

Taal woordenschat Les 5 (N)

  •   0%
  •  0     0     0

  • spiraalvormig
    in de vorm van een spiraal
  • eencellig
    het bestaat maar uit een cel
  • Het laboratorium
    Een ruimte, bijvoorbeeld in een ziekenhuis of universiteit, waar proeven gedaan worden voor medisch en ander wetenschappelijk onderzoek
  • Resistent
    Niet gevoelig voor een bepaalde ziekte of een bepaald medicijn.
  • Steriel
    Zonder bacteriën.
  • Onschadelijk
    Niet gevaarlijk, iets wat geen schade kan veroorzaken.
  • De transplantatie
    Het overplaatsen van weefsel, zoals huid of een orgaan, van het ene naar het andere lichaam.
  • Immuun
    Resistent, bestand tegen een bepaalde ziekte of een bepaald medicijn.
  • de biotechnologie
    het gebruik van technieken om met microben nieuwe stoffen, voedsel of medicijnen te produceren.
  • De microbe
    Een heel klein organisme, bijvoorbeeld een bacterie
  • In isolatie
    Afgezonderd van de buitenwereld
  • vermenigvuldigen
    groter worden in aantal, zich voortplanten
  • de cel
    de kleinste bouwsteen waaruit alle levende wezens(mensen, dieren, planten, microben) zijn opgebouwd.
  • De darmflora
    De bacteriën die in je darmen leven
  • De afweer
    De natuurlijke bescherming van je lichaam teken ziektes.
  • klonen
    kopiëren van een levend organisme of van een deel ervan.
  • Infecteren
    Aansteken, besmetten
  • erfelijk
    wat van ouders op kinderen kan overgaan
  • De kolonie
    Hier: Een groep cellen van bijvoorbeeld een bacterie of schimmel die is ontstaan doordat een enkele voorouder zich vermenigvuldigd heeft
  • de verzamelnaam
    een naam voor een verzameling op elkaar lijkende dingen
  • organisme
    een levend wezen
  • De ziektekiem
    Een microbe die je ziek kan maken.
  • Antibacterieel
    Bacteriedodend; tegen bacteriën opgericht.
  • Peniciline
    Een soort antibiotica
  • De gastheer
    Hier: een organisme dat een andere organisme bij zich draagt
  • microscopisch
    iets dat zó klein is dat het alleen maar met een microscoop te zien is
  • het virus
    een zeer klein organisme, kleiner dan een bacterie dat voor zijn voortplanting een levende cel nodig nodig heeft
  • de variatie
    verschillend, een vorm die een beetje van een andere afwijkt
  • infiltreren
    langzaam en onmerkbaar in iets binnendringen.
  • De microbioloog
    Iemand die wetenschappelijk onderzoek doet naar microben
  • De bacil
    Een bacterie die je ziek kan maken.
  • de trilhaar
    een heel kleine haar die ervoor zorgt dat een micro-organisme zich kan voortbewegen
  • Vatbaar zijn voor
    Hier: Gevoelig zijn voor ziekte, snel ziek of verkouden worden.
  • De infectie
    De besmetting, vaak met een ontsteking tot gevolg
  • Desinfecteren
    Ontsmetten, schoonmaken met een middel dat ziekmakende bacteriën doodt.
  • De antibiotica
    Medicijnen die ziekteverwekkende bacteriën doden of hun groei remmen.
  • De hygiëne
    De zorg voor de gezondheid door netjes en schoon te zijn
  • Vacccineren
    Inenten; een stof in het lichaam spuiten waardoor iemand een bepaalde ziekte niet krijgt.
  • De weerstand
    Het vermogen van je lichaam om je tegen ziektes te beschermen.
  • voedingsbodem
    een stof waarop schimmels en bacteriën gekweekt kunnen worden