Edit Game
Leesvaardigheid havo en vwo 2
 Delete

Use commas to add multiple tags

 Private  Unlisted  Public



 Save

Delimiter between question and answer:

Tips:

  • No column headers.
  • Each line maps to a question.
  • If the delimiter is used in a question, the question should be surrounded by double quotes: "My, question","My, answer"
  • The first answer in the multiple choice question must be the correct answer.






 Save   80  Close
Voorwaardelijk verband
Voorwaarde; signaalwoorden: mits, als, indien, tenzij.
Concluderend verband
Conclusie uit info; signaalwoorden: dus, kortom, concluderend.
Samenvattend verband
Herhaling eerdergenoemde zaken; signaalwoorden: al met al, samenvattend.
Redengevend verband
Reden waarom iemand iets vindt/doet; signaalwoorden: want, omdat, immers.
Vergelijkend verband
Overeenkomst of verschil; signaalwoorden: evenals, net zoals, ook.
Oorzakelijk verband
Oorzaak-gevolg; signaalwoorden: doordat, daardoor, waardoor, met als gevolg.
Middel-doelverband
Doel en middel; signaalwoorden: daarmee, door middel van, met als doel...
Toelichtend verband
Uitleg met voorbeeld; signaalwoorden: zo, bijvoorbeeld, met andere woorden.
Slot schrijven
Conclusie, samenvatting, aanbeveling, advies, toekomstverwachting, uitsmijter.
Onderwerp introduceren
Vragen stellen; standpunt/stelling; probleemstelling.
Aandacht trekken inleiding
Anekdote, aanleiding, actualiteit, belang voor lezer, geschiedenis.
Subjectief
Gebaseerd op meningen.
Objectief
Gebaseerd op feiten.
Tegenargument
Argument tegen een ander argument.
Argument
Onderbouwing van een standpunt; feitelijk of waarderend.
Standpunt
Wat iemand ergens van vindt; mening over onderwerp.
Mening
Wat je vindt.
Feit
Iets wat waar is en controleerbaar.
Betoog
Tekst met standpunt + argumenten om te overtuigen.
Overtuigen
De schrijver wil dat de lezer hetzelfde vindt als hij/zij.
Tegenstellend verband
Verschil wordt benoemd; signaalwoorden: maar, echter, toch, daarentegen...
Opsommend verband
Er worden zaken genoemd; signaalwoorden: ten eerste, ook, bovendien, vervolgens...
Tekstvorm
Hoe de tekst eruitziet: nieuwsbericht, column, advertentie, enz.
Informeren/Uiteenzetten
Informeren: op de hoogte brengen. Uiteenzetten: uitleggen of verklaren.
Uiteenzetting
Tekst met feiten; doel: informeren of uitleggen.
Tekstsoort
Verzamelnaam voor teksten met hetzelfde doel.
Tekstdoel
Wat een schrijver wil bereiken met een tekst.
Bijzaak
Minder belangrijk: voorbeelden, details, uitwerkingen.
Hoofdzaak
Belangrijk tekstgedeelte voor een samenvatting.
Kernzin
Belangrijkste zin van een alinea.
Alinea
Tekstdeel met samenhang; bevat kernzin + uitwerking.
Slot
Afsluiting; bevat samenvatting, conclusie, advies, toekomstverwachting of uitsmijter.
Middenstuk
Kern van de tekst; vaak opsommingen, argumenten of uitleg.
Inleiding
Begin van de tekst; kan meerdere alinea's hebben; aandacht trekken + onderwerp introduceren.
Hoofdgedachte
Belangrijkste mededeling over het onderwerp; noteer als volledige zin.
Onderwerp
Waar de tekst over gaat; noteer als woord of woordgroep.
Studerend lezen
Doel: inhoud onthouden. Hoe: samenvatting of schema maken, overhoorvragen maken.
Intensief lezen
Doel: tekst volledig begrijpen en hoofdzaken vinden. Hoe: hele tekst lezen, moeilijke woorden opzoeken, signaalwoorden, verbanden, kernzinnen, hoofdgedachte.
Oriënterend lezen
Doel: onderwerp bepalen; bepalen of tekst bruikbaar is. Hoe: titel, eerste/laatste alinea, tussenkopjes, auteur, bron, opmaak.
Voorwaarde; signaalwoorden: mits, als, indien, tenzij.
Voorwaardelijk verband
Conclusie uit info; signaalwoorden: dus, kortom, concluderend.
Concluderend verband
Herhaling eerdergenoemde zaken; signaalwoorden: al met al, samenvattend.
Samenvattend verband
Reden waarom iemand iets vindt/doet; signaalwoorden: want, omdat, immers.
Redengevend verband
Overeenkomst of verschil; signaalwoorden: evenals, net zoals, ook.
Vergelijkend verband
Oorzaak-gevolg; signaalwoorden: doordat, daardoor, waardoor, met als gevolg.
Oorzakelijk verband
Doel en middel; signaalwoorden: daarmee, door middel van, met als doel...
Middel-doelverband
Uitleg met voorbeeld; signaalwoorden: zo, bijvoorbeeld, met andere woorden.
Toelichtend verband
Conclusie, samenvatting, aanbeveling, advies, toekomstverwachting, uitsmijter.
Slot schrijven
Vragen stellen; standpunt/stelling; probleemstelling.
Onderwerp introduceren
Anekdote, aanleiding, actualiteit, belang voor lezer, geschiedenis.
Aandacht trekken inleiding
Gebaseerd op meningen.
Subjectief
Gebaseerd op feiten.
Objectief
Argument tegen een ander argument.
Tegenargument
Onderbouwing van een standpunt; feitelijk of waarderend.
Argument
Wat iemand ergens van vindt; mening over onderwerp.
Standpunt
Wat je vindt.
Mening
Iets wat waar is en controleerbaar.
Feit
Tekst met standpunt + argumenten om te overtuigen.
Betoog
De schrijver wil dat de lezer hetzelfde vindt als hij/zij.
Overtuigen
Verschil wordt benoemd; signaalwoorden: maar, echter, toch, daarentegen...
Tegenstellend verband
Er worden zaken genoemd; signaalwoorden: ten eerste, ook, bovendien, vervolgens...
Opsommend verband
Hoe de tekst eruitziet: nieuwsbericht, column, advertentie, enz.
Tekstvorm
Informeren: op de hoogte brengen. Uiteenzetten: uitleggen of verklaren.
Informeren/Uiteenzetten
Tekst met feiten; doel: informeren of uitleggen.
Uiteenzetting
Verzamelnaam voor teksten met hetzelfde doel.
Tekstsoort
Wat een schrijver wil bereiken met een tekst.
Tekstdoel
Minder belangrijk: voorbeelden, details, uitwerkingen.
Bijzaak
Belangrijk tekstgedeelte voor een samenvatting.
Hoofdzaak
Belangrijkste zin van een alinea.
Kernzin
Tekstdeel met samenhang; bevat kernzin + uitwerking.
Alinea
Afsluiting; bevat samenvatting, conclusie, advies, toekomstverwachting of uitsmijter.
Slot
Kern van de tekst; vaak opsommingen, argumenten of uitleg.
Middenstuk
Begin van de tekst; kan meerdere alinea's hebben; aandacht trekken + onderwerp introduceren.
Inleiding
Belangrijkste mededeling over het onderwerp; noteer als volledige zin.
Hoofdgedachte
Waar de tekst over gaat; noteer als woord of woordgroep.
Onderwerp
Doel: inhoud onthouden. Hoe: samenvatting of schema maken, overhoorvragen maken.
Studerend lezen
Doel: tekst volledig begrijpen en hoofdzaken vinden. Hoe: hele tekst lezen, moeilijke woorden opzoeken, signaalwoorden, verbanden, kernzinnen, hoofdgedachte.
Intensief lezen
Doel: onderwerp bepalen; bepalen of tekst bruikbaar is. Hoe: titel, eerste/laatste alinea, tussenkopjes, auteur, bron, opmaak.
Oriënterend lezen