Edit Game
Leesvaardigheid havo en vwo 3
 Delete

Use commas to add multiple tags

 Private  Unlisted  Public



 Save

Delimiter between question and answer:

Tips:

  • No column headers.
  • Each line maps to a question.
  • If the delimiter is used in a question, the question should be surrounded by double quotes: "My, question","My, answer"
  • The first answer in the multiple choice question must be the correct answer.






 Save   80  Close
Beschouwing
Tekst waarin een schrijver je de verschillende kanten van een onderwerp laat zien met als doel dat de lezer er zelf over kan nadenken en een mening kan vormen.
Opiniëren
Het uiten van een mening.
Voorwaardelijk verband
Voorwaarde; signaalwoorden: mits, als, indien, tenzij.
Concluderend verband
Conclusie uit info; signaalwoorden: dus, kortom, concluderend.
Samenvattend verband
Herhaling eerdergenoemde zaken; signaalwoorden: al met al, samenvattend.
Redengevend verband
Reden waarom iemand iets vindt/doet; signaalwoorden: want, omdat, immers.
Vergelijkend verband
Overeenkomst of verschil; signaalwoorden: evenals, net zoals, ook.
Oorzakelijk verband
Oorzaak-gevolg; signaalwoorden: doordat, daardoor, waardoor, met als gevolg.
Middel-doelverband
Doel en middel; signaalwoorden: daarmee, door middel van, met als doel...
Toelichtend verband
Uitleg met voorbeeld; signaalwoorden: zo, bijvoorbeeld, met andere woorden.
Slot schrijven
Conclusie, samenvatting, aanbeveling, advies, toekomstverwachting, uitsmijter.
Onderwerp introduceren
Vragen stellen; standpunt/stelling; probleemstelling.
Aandacht trekken inleiding
Anekdote, aanleiding, actualiteit, belang voor lezer, geschiedenis.
Subjectief
Gebaseerd op meningen.
Objectief
Gebaseerd op feiten.
Tegenargument
Argument tegen een ander argument.
Argument
Onderbouwing van een standpunt; feitelijk of waarderend.
Standpunt
Wat iemand ergens van vindt; mening over onderwerp.
Mening
Wat je vindt.
Feit
Iets wat waar is en controleerbaar.
Betoog
Tekst met standpunt + argumenten om te overtuigen.
Overtuigen
De schrijver wil dat de lezer hetzelfde vindt als hij/zij.
Tegenstellend verband
Verschil wordt benoemd; signaalwoorden: maar, echter, toch, daarentegen...
Opsommend verband
Er worden zaken genoemd; signaalwoorden: ten eerste, ook, bovendien, vervolgens...
Tekstvorm
Hoe de tekst eruitziet: nieuwsbericht, column, advertentie, enz.
Informeren/Uiteenzetten
Informeren: op de hoogte brengen. Uiteenzetten: uitleggen of verklaren.
Uiteenzetting
Tekst met feiten; doel: informeren of uitleggen.
Tekstsoort
Verzamelnaam voor teksten met hetzelfde doel.
Tekstdoel
Wat een schrijver wil bereiken met een tekst.
Bijzaak
Minder belangrijk: voorbeelden, details, uitwerkingen.
Hoofdzaak
Belangrijk tekstgedeelte voor een samenvatting.
Kernzin
Belangrijkste zin van een alinea.
Alinea
Tekstdeel met samenhang; bevat kernzin + uitwerking.
Slot
Afsluiting; bevat samenvatting, conclusie, advies, toekomstverwachting of uitsmijter.
Middenstuk
Kern van de tekst; vaak opsommingen, argumenten of uitleg.
Inleiding
Begin van de tekst; kan meerdere alinea's hebben; aandacht trekken + onderwerp introduceren.
Hoofdgedachte
Belangrijkste mededeling over het onderwerp; noteer als volledige zin.
Onderwerp
Waar de tekst over gaat; noteer als woord of woordgroep.
Studerend lezen
Doel: inhoud onthouden. Hoe: samenvatting of schema maken, overhoorvragen maken.
Intensief lezen
Doel: tekst volledig begrijpen en hoofdzaken vinden. Hoe: hele tekst lezen, moeilijke woorden opzoeken, signaalwoorden, verbanden, kernzinnen, hoofdgedachte.
Oriënterend lezen
Doel: onderwerp bepalen; bepalen of tekst bruikbaar is. Hoe: titel, eerste/laatste alinea, tussenkopjes, auteur, bron, opmaak.
Voorwaarde; signaalwoorden: mits, als, indien, tenzij.
Voorwaardelijk verband
Conclusie uit info; signaalwoorden: dus, kortom, concluderend.
Concluderend verband
Herhaling eerdergenoemde zaken; signaalwoorden: al met al, samenvattend.
Samenvattend verband
Reden waarom iemand iets vindt/doet; signaalwoorden: want, omdat, immers.
Redengevend verband
Overeenkomst of verschil; signaalwoorden: evenals, net zoals, ook.
Vergelijkend verband
Oorzaak-gevolg; signaalwoorden: doordat, daardoor, waardoor, met als gevolg.
Oorzakelijk verband
Doel en middel; signaalwoorden: daarmee, door middel van, met als doel...
Middel-doelverband
Uitleg met voorbeeld; signaalwoorden: zo, bijvoorbeeld, met andere woorden.
Toelichtend verband
Conclusie, samenvatting, aanbeveling, advies, toekomstverwachting, uitsmijter.
Slot schrijven
Vragen stellen; standpunt/stelling; probleemstelling.
Onderwerp introduceren
Anekdote, aanleiding, actualiteit, belang voor lezer, geschiedenis.
Aandacht trekken inleiding
Gebaseerd op meningen.
Subjectief
Gebaseerd op feiten.
Objectief
Argument tegen een ander argument.
Tegenargument
Onderbouwing van een standpunt; feitelijk of waarderend.
Argument
Wat iemand ergens van vindt; mening over onderwerp.
Standpunt
Wat je vindt.
Mening
Iets wat waar is en controleerbaar.
Feit
Tekst met standpunt + argumenten om te overtuigen.
Betoog
De schrijver wil dat de lezer hetzelfde vindt als hij/zij.
Overtuigen
Verschil wordt benoemd; signaalwoorden: maar, echter, toch, daarentegen...
Tegenstellend verband
Er worden zaken genoemd; signaalwoorden: ten eerste, ook, bovendien, vervolgens...
Opsommend verband
Hoe de tekst eruitziet: nieuwsbericht, column, advertentie, enz.
Tekstvorm
Informeren: op de hoogte brengen. Uiteenzetten: uitleggen of verklaren.
Informeren/Uiteenzetten
Tekst met feiten; doel: informeren of uitleggen.
Uiteenzetting
Verzamelnaam voor teksten met hetzelfde doel.
Tekstsoort
Wat een schrijver wil bereiken met een tekst.
Tekstdoel
Minder belangrijk: voorbeelden, details, uitwerkingen.
Bijzaak
Belangrijk tekstgedeelte voor een samenvatting.
Hoofdzaak
Belangrijkste zin van een alinea.
Kernzin
Tekstdeel met samenhang; bevat kernzin + uitwerking.
Alinea
Afsluiting; bevat samenvatting, conclusie, advies, toekomstverwachting of uitsmijter.
Slot
Kern van de tekst; vaak opsommingen, argumenten of uitleg.
Middenstuk
Begin van de tekst; kan meerdere alinea's hebben; aandacht trekken + onderwerp introduceren.
Inleiding
Belangrijkste mededeling over het onderwerp; noteer als volledige zin.
Hoofdgedachte
Waar de tekst over gaat; noteer als woord of woordgroep.
Onderwerp
Doel: inhoud onthouden. Hoe: samenvatting of schema maken, overhoorvragen maken.
Studerend lezen
Doel: tekst volledig begrijpen en hoofdzaken vinden. Hoe: hele tekst lezen, moeilijke woorden opzoeken, signaalwoorden, verbanden, kernzinnen, hoofdgedachte.
Intensief lezen
Doel: onderwerp bepalen; bepalen of tekst bruikbaar is. Hoe: titel, eerste/laatste alinea, tussenkopjes, auteur, bron, opmaak.
Oriënterend lezen