Study

To be / to have - conjugations

  •   0%
  •  0     0     0

  • We ................................ verliefd
    zijn
  • Wie ........................... deze mensen?
    zijn
  • Hij .............. geen vrienden.
    heeft
  • .................... je een slechte kartakter?
    Heb
  • We ............................. niet veel contact
    hebben
  • ................ je lerares Nederlands streng?
    Is
  • Onze lerares Frans ................... lang blond haar
    heeft
  • Paul .................. nieuw op deze school
    is
  • Je ..................... mijn vriend.
    bent
  • Hoe oud ................... hij?
    is
  • Saskia ................... een probleem : ze ziet er slechtgezind uit!
    heeft
  • De man met een bril ................... de directeur
    is
  • .............. de directeur streng?
    Is
  • Clara .................... verliefd!
    is
  • Jullie ......................... 15 jaar oud
    zijn
  • Ik ..................... sterk !
    ben
  • Hij .................. een groen T-shirt
    heeft
  • We ................ bang voor niemand
    zijn
  • Iedereen ................ op school
    is