Study

Voegwoorden

  •   0%
  •  0     0     0

  • Hij vraagt … haar favoriete kleur is.
    Wie
    Want
    Wat
    Omdat
  • Je weet niet … je met deze schoenen kan rennen.
    En
    Toen
    Of
    Omdat
  • Hij glimlachte … hij mijn nieuwe T-shirt zag.
    Toen
    Dat
    Want
    Wanneer
  • We gingen naar Italië … we van mode hielden.
    Maar
    En
    Of
    Want
  • We weten niet … de ontwerper uit België of uit Frankrijk komt.
    Of
    Toen
    Wanneer
    Waar
  • Ik herinner me nog goed … ik mijn eerste zonnebril kocht.
    Maar
    Of
    Toen
    Als
  • We vragen ons af … zijn favoriete land is.
    Wanneer
    Wat
    Of
    Wie
  • Ze is heel sociaal … ze is soms een beetje verlegen.
    En
    Want
    Of
    Maar
  • Ze zei … ze naar de modeacademie gaat.
    Maar
    Omdat
    Dat
    En
  • Ze vraagt … haar jurk mooi staat.
    Dar
    Wanneer
    Waar
    Of
  • Hij vertelt … hij trots op zijn nieuwe schoenen is.
    En
    Want
    Of
    Dat
  • Ik bewonder mensen … creatief zijn.
    Omdat
    Dat
    Of
    Die
  • Ik wil weten … hij uit Italië of uit Spanje komt.
    Omdat
    Of
    En
    Dat
  • Ik vraag me af … hij zo kalm blijft.
    Maar
    Waarom
    En
    Omdat
  • Hij draagt een blauwe jeans … een witte T-shirt.
    Of
    En
    Maar
    Want
  • Ik ken een meisje … altijd een rode jurk draagt.
    En
    Want
    Dat
    Wie
  • Hij wil weten … haar ogen blauw of groen zijn.
    Wie
    Of
    Wat
    En
  • Ik herinner me nog … ik klein was en een bril droeg.
    En
    Toen
    Want
    Of
  • Hij vertelde … hij gisteren in Duitsland was.
    Wie
    En
    Of
    Dat
  • Weet jij … deze trui in wol of in katoen is?
    Waar
    Wie
    Dat
    Of
  • Ik weet niet … mijn vriend vandaag thuis blijft.
    Of
    Wanneer
    En
    Wie
  • Ze droeg een sjaal … het koud was.
    En
    Omdat
    Want
    Maar
  • Ik weet niet … hij vandaag naar school komt.
    En
    Of
    Wie
    Dat