Study

De VTT

  •   0%
  •  0     0     0

  • lachen. De kinderen .....met de clown.
    lachten
  • Praten. Hij .....veel over de oorlog.
    praatte
  • Trouwen. Jullie ..... vorig jaar in augustus.
    trouwden
  • antwoorden. De leerling .....beleefd aan de leraar.
    antwoordde
  • werken. Mijn vader .....vorig jaar bij de bank.
    werkte
  • telefoneren. Moeder ... gisteren naar haar baas.
    telefoneerde
  • fietsen. De jongens .... vroeger altijd naar school, nu gaan ze met de bus.
    fietsten
  • rekenen. De kinderen ...... de som.
    Rekenden
  • eisen. De slachtoffers ..... een groot bedrag.
    eisten
  • kleuren. Gisteren ....... ik een mooie kleurplaat.
    kleurde
  • koken. Oma .... lekker eten toen ze nog ...... (leven)
    kookte - leefde
  • groeien. De baby ......veel te snel.
    groeide