Game Preview

Nederlands werkwoordspelling5.0 (1 review)

  •  54     Public
    Imported from Quizlet
  •   Study   Slideshow
  • (gebeuren) Soms .......... er iets waar je helemaal geen rekening mee hebt gehouden.
    Gebeurt
  •  15
  • (vinden) ...... je dit een mooie trui?
    Vind(zonder t, omdat 'je', in de betekenis 'je/jij', achter de persoonsvorm staat)
  •  15
  • (vinden) ....... je broer mij eigenlijk wel aardig?
    Vindt(met t; de 'je' achter de persoonsvorm hoort bij 'je broer', het is dus 'je' in de betekenis van 'je/jouw' en niet 'je/jij')
  •  15
  • (worden) Jasper ...... altijd boos als je hem tegenspreekt.
    wordt
  •  15
  • (verven) Wij ........ vorige week de muren van ons huis.
    verfden
  •  15
  • (schrijven) Issam ....... vroeger heel veel brieven naar zijn familie.
    schreef
  •  15
  • (schrijven) ....... je de boodschappen nog even op een briefje?
    Schrijf
  •  15
  • (juichen) Toen Ajax de beker won, .......... wij heel hard met z'n allen.
    juichten
  •  15
  • (branden) Hoe lang ........ die kaars nu al?
    brandt
  •  15
  • (branden) Vorig jaar ......... het huis van de buren af.
    brandde
  •  15
  • (stelen) De man met de hoodie ...... gisteren de telefoon van m'n zusje.
    stal
  •  15
  • (fietsen) Mijn vriend en ik ...... twee dagen geleden in de regen naar school.
    fietsten
  •  15
  • (repareren) Kun je morgen mijn fiets ........., papa?
    repareren
  •  15
  • (venten) De marktkoopman ....... gisteren zijn laatste groenten op de markt.
    ventte
  •  15
  • (kopen) Hij ........ toen de trossen bananen voor 50 cent per kilo.
    kocht
  •  15
  • (huilen) ............... jij ook zo toen je de film Titanic zag?
    Huilde
  •  15