Edit Game
Werkwoorden van de week, week 1-3
 Delete

Use commas to add multiple tags

 Private  Unlisted  Public



 Save

Delimiter between question and answer:

Tips:

  • No column headers.
  • Each line maps to a question.
  • If the delimiter is used in a question, the question should be surrounded by double quotes: "My, question","My, answer"
  • The first answer in the multiple choice question must be the correct answer.






 Save   36  Close
Hilde ... zingen. Ze heeft keelpijn. (stoppen met)
stopt met
Kris ... koken: hij eet deze avond frietjes! (starten met)
start met
Isabelle ... de winkel om druiven te kopen. (gaan naar)
gaat naar
Jochen ... onze voetbalploeg om ook mee te voetballen. (komen naar)
komt naar
Mo ... een nieuwe pen aan zijn broertje. (geven)
geeft
Jacqueline ... de bus naar school. (nemen)
neemt
Ibrahim ... nog niet naar huis gaan. (willen)
wil
Sofia ... aan het lekkere eten van deze avond. (denken)
denkt
Bart ... dat zijn gedrag niet goed is. (weten)
weet
Jullie ... praten wanneer de leerkracht iets wil zeggen. (stoppen met)
stoppen met
Jij ... fietsen wanneer je een rood verkeerslicht ziet. (stoppen met)
stopt met
Ik ... frisdrank drinken: het is ongezond! (stoppen met)
stop met
Jij ... het opruimen van de klas wanneer de bel gaat. (starten met)
start met
Zij ... eten wanneer iedereen aan tafel zit. (starten met, mv.)
starten met
Zij ... sporten, want ze wil gezond oud worden. (starten met, enk.)
start met
Jullie ... de studie wanneer er een leerkracht afwezig is. (gaan naar)
gaan naar
Ik ... huis wanneer school klaar is. (gaan naar)
ga naar
Hij ... een afspraak bij de tandarts. (gaan naar)
gaat naar
Jullie ... school om Nederlands te leren. (komen naar)
komen naar
Ik ... jouw huis om televisie te kijken. (komen naar)
kom naar
Zij ... school met een lach op haar gezicht. (komen naar, enk.)
komt naar
Hij ... zijn toets aan de leerkracht. (geven)
geeft
Wij ... bloemen aan onze nicht voor haar verjaardag. (geven)
geven
Jij ... een koekje aan jouw vriend. (geven)
geeft
Zij ... de grootste bal uit de winkel, om die te kopen. (nemen, mv.)
nemen
Jij ... jouw agenda uit jouw boekentas. (nemen)
neemt
Ik ... elke dag boterhammen mee naar school. (nemen)
neem
Wij ... dat OKAN 1 een hele slimme klas is! (weten)
weten
Hij ... dat cola zijn lievelingsdrankje is. (weten)
weet
Ik ... dat Nederlands een moeilijke taal is om te leren. (weten)
weet
Jullie ... aan een mooie zomer vol ijsjes, buiten spelen en vrije tijd. (denken)
denken
Zij ... dat we veel vlinders zullen zien in de tuin. (denken, enk.)
denkt
Ik ... dat iedereen 10/10 zal hebben op de toets van de werkwoorden! (denken)
denk
Jij ... graag minstens 10 boeken lezen dit jaar. (willen)
wilt
Hij ... zijn groenten niet opeten. (willen)
wil
Wij ... dat het morgen zonnig is. (willen)
willen