Team 1
0
Team 2
0
Teams
Name
Score
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
Loading
×
seesaw
Swap points!
Oops!
×
gold
Win 50 points!
Okay!
×
shark
Other team loses 10 points!
Okay!
×
banana
Go to last place!
Oops!
25
×
Maak de volgende zin compleet: Elles ... ... (descendre)
descendre = uitstappen. Zij ZIJN UITGESTAPT. Elles SONT DESCENDUES. Être dus checken!
Oops!
Check
Okay!
Check
15
×
Wat is het rijmpje van AVOIR?
Avoir (avwaar) is klaar
Oops!
Check
Okay!
Check
10
×
Hoe maak je van een werkwoord op -ER een passé composé?
- ER + É
Oops!
Check
Okay!
Check
×
trap
No points!
Oops!
×
magnet
Take 10 points!
Okay!
×
fairy
Take points!
5
10
15
20
25
×
banana
Go to last place!
Oops!
25
×
Maak de volgende zin compleet: Ils ... ... (faire du fitness)
faire du fitness = fitnessen. Zij HEBBEN GEFITNESST. Ils ONT FAIT DU FITNESS
Oops!
Check
Okay!
Check
15
×
Hoe maak je van een werkwoord op -IR een passé composé?
-IR + I
Oops!
Check
Okay!
Check
×
monster
Reset all scores!
Oops!
×
rocket
Go to first place!
Okay!
×
gift
Win 20 points!
Okay!
×
thief
Give points!
5
10
15
20
25
25
×
Maak de volgende zin compleet: Ma tante ... ... (organiser) beaucoup d'activités.
Organiser = organiseren. Mijn zus HEEFT GEORGANISEERD. Ma soeur A ORGANISÉ
Oops!
Check
Okay!
Check
25
×
Maak de volgende zin compleet: Elle ... ... (siffler)
Siffler = fluiten. Zij HEEFT gefloten. Elle A SIFFLÉ
Oops!
Check
Okay!
Check
20
×
Hoe maak je van een werkwoord op -RE een passé composé?
-RE + U
Oops!
Check
Okay!
Check
20
×
Wat is de NOUS-vorm van être?
nous SOMMES
Oops!
Check
Okay!
Check
15
×
Uit hoeveel woorden bestaat een passé composé altijd?
Altijd 2 woorden: een hulpwerkwoord en ge-woord. HEB GEVOETBALD
Oops!
Check
Okay!
Check
15
×
Maak de volgende zin compleet: Tu ... ... le train (rater)
rater = missen. Jij HEBT (de trein) gemist. Tu AS RATÉ le train
Oops!
Check
Okay!
Check
20
×
Wat moet je altijd doen als être het hulpwerkwoord is?
être = checken. Extra e, s, es etc plakken
Oops!
Check
Okay!
Check
20
×
Maak de volgende zin compleet: Il ... ... (travailler)
travailler = werken. Hij HEEFT gewerkt. Il A TRAVAILLÉ
Oops!
Check
Okay!
Check
×
Restart
Review
Join for Free
;
Your experience on this site will be improved by allowing cookies.
Allow cookies